Kunst op Mars: De Barbaren! - cultuurparticipatie 2.0

De tweede reeks seminars van Kunst op Mars onderzocht de relatie tussen makers en publiek. In die relatie wordt normaliter de maker als zender gezien, en het publiek als ontvanger. Participatie stelt die richting im frage en wijst ons - geheel in lijn met de tijdsgeest - op collaboratieve praktijken binnen kunst en cultuur.


Door Chris Julien


Onder de noemer 'prosumentisme' is in het afgelopen decennium de scheidingslijn tussen maker en consument vervaagd. Het publiek krijgt steeds vaker de middelen (digitaal of anderzijds) om deelgenoot te worden van, of zich zelfs te mengen in creatieve processen. Juist in de cultuursector bestaat veel animo onder traditionele 'consumenten' om bij te dragen aan de productie van cultuur. Immers, de waarde van een bijdrage aan kunst en cultuur overstijgt moeiteloos het economische. Daarbij vervaagt de scheidingslijn tussen amateur en professional met de opkomst van digitale tools. Van de andere kant dwingt teruglopende financiering professionele cultuurmakers vaker (dan al het geval was) om tegen beperkte vergoeding te werken - naast een day job die in het levensonderhoud voorziet. Deze groep wordt de-facto amateur, zonder dat dit afdoet aan de ambitie of kwaliteit van de maker.


Al met al kan gesteld worden dat het 20ste eeuwse arrangement van autonome kunsten enerzijds en consumerend publiek anderzijds, achterhaald is. Niet alleen de rol van de producent is diffuser geworden en over meer actoren verdeeld, ook verwacht het publiek een grotere mate van inmenging in de kunsten die ze bewonderen of bedrijven. Daarmee verschuift in potentie de nadruk van professionele producent of instelling die op is zoek naar publiek, richting collaborerende netwerken van liefhebbers en makers met hun achterban. Het is de vraag in hoeverre deze netwerken reeds herkenbaar zijn in het huidige landschap, en welke potentie of autoriteit hen wordt toegedicht.


De leidende vraag rondom het thema van De barbaren! is dan ook of participatie om te vormen is van een sleetse beleidsterm tot een eigentijdse strategie die netwerken bindt, en een disruptief potentieel heeft jegens traditionele structuren (Miessen, 2014). Zo bezien is participatie mogelijkerwijs in staat de traditionele waardering en productie van cultuur te bevragen. Sterker nog, als een koevoet op geldende machtsstructuren lijkt deze nieuwe incarnatie van participatie de fragmentatie van autoriteit in de hand te werken, waarbij niet langer de expert, maar een veelheid aan stemmen kan meewegen in de totstandkoming van kunst en cultuur.


Het ‘moetje’ van de participatiesamenleving

Van oudsher probeert men met participatie de kunsten open te stellen voor de bredere maatschappij. De participatie-eis vanuit overheid en fondsen is daarbij leidend, en richt zich op het betrekken van - veelal kwetsbare - groepen culturele kleinverbruikers. Deze eis heeft zijn plek gevonden in talloze beleidsstukken en prestatie-eisen, maar behaalt doorgaans betere resultaten op papier dan in de praktijk. Vaak blijken de van bovenaf ingestelde samenwerkingen op gespannen voet te staan met de culturele energie en interesses van de participerende groepen zelf. De vraag rijst of het ‘moetje’ van de participatiesamenleving wel een goed uitgaanspunt is voor effectieve publieksparticipatie bij cultuur.


Van de cultuurmaker zelf wordt een omslachtige taak verwacht: hij of zij moet groepen die het in zowel sociaal als economisch opzicht moeilijk hebben, bijsturen aan de hand van voorbedachte participatiekaders, en voor kunstvormen die deze groepen niet per se interessant vinden. Community artists krijgen daarmee een taak opgelegd die doet denken aan die van Sisyphus, om kunst te brengen naar een plek waar zij maar moeilijk aardt. En hoewel het niet afdoet aan de opgelegde kaders, zijn zij het die daadwerkelijk contact leggen met de participanten. Daarmee verrijst een ander beeld dat kleeft aan de community artist, dat van de sociale hulpverlener. Deze stereotypen, van de onbegrepen kunstenaar en de veredelde maatschappelijk werker, tonen de moeilijkheid van participatie als obligate subsidiepraktijk.


Ze zijn exemplarisch voor een top-down-benadering waarbij de culturele organisatie kaders stelt en sturend is in de deelname van het publiek. Van nature sluiten een bepaald type makers goed aan bij deze kaders. Regisseurs, dirigenten en curatoren krijgen daarmee een centrale rol in vele projecten, terwijl het juist de meer uitvoerende kunstenaars als acteurs en beeldend kunstenaars of community artists zijn die in de praktijk vaardig zijn in het scheppen van (culturele) ruimte voor participatie. Het voorbedachte kader waarin de participatie beleidshalve gegoten wordt heeft een heel ander karakter dan het ‘veldwerk’ wat bij de uitvoerende makers ligt. En dat kwalificeert het beeld van de participatie-kunstenaar als Sisyphus: wellicht zijn het eerder de kaders, dan het werk zelf die een onmogelijke opgave scheppen.


Uit wat voor allooi de kunstenaar ook bestaat, het vraagstuk van artistieke kwaliteit kleurt elke discussie over participatieve kunst. Hoe verenigt de cultuurmaker de complexe kwaliteitscriteria van zijn praktijk met de missie om een breed en divers publiek daarvoor te mobiliseren? De tegenstelling kwaliteit-publiek is enkel belemmerend wanneer het eindresultaat ook het doel is van de participatie. Door het proces centraal te stellen en het (nieuwe) publiek zelf een artistieke verantwoordelijkheid te geven kan betekenisvol invulling gegeven worden aan participatie, en verwordt 'moeten' tot 'kunnen'.


Van consument naar stakeholder

Nog tot laat in de 20ste eeuw leefde de westerse wereld met een romantisch beeld van de kunstenaar; het eenzame artistieke genie, die uiting gaf aan geldende waarden van oorspronkelijkheid en originaliteit. Deze negentiende-eeuwse opvatting van creativiteit stond op gespannen voet met het na-oorlogse idee van participatie, en maakte van participatie in de kunsten lange tijd tot een 'moetje'. Inmiddels is afscheid genomen van dit kunstenaarsbeeld, gelijk het rigoureuze onderscheid tussen producent en consument dat verdwijnt. Het stemt ook hoopvol over het dichten van de kloof tussen maker en publiek, de vraag blijft hoe.

Het gelijkheidsideaal dat in participatie besloten ligt, wordt met dit afscheid weer levensvatbaar in de kunsten. Want het einde van het eenzame genie opent de deur voor gedeeld auteurschap, en daarmee een bredere deelname aan het artistieke proces. In participatieve kunst wordt het voor publiek dus mogelijk om (tijdelijk) het domein van de maker of de kunstenaar te betreden. Hoewel de deelnemer nog altijd onderhevig is aan het kader dat door de kunstenaar wordt aangereikt, verschuift de betekenis van dit kader.


Bij ouderwetse participatie werd het kader gevormd door beleid, dat kunstenaars instrueerde hun werk te delen met de bevolking - een activiteit die an sich geen artistieke waarde heeft. Zodra de opvatting van de kunstenaar als eenzaam genie wegvalt, en het publiek kan deelnemen aan het artistieke proces, krijgt een participatief project een gelijk kader aan dat van de reguliere kunstpraktijk, om daar op collaboratieve wijze invulling aan te geven.


Zo blijkt participatie anno nu meer dan slechts een opgelegde, marginale activiteit. Het toont zich een praktijk die de kern van de kunsten raakt, door de deur open te zetten voor collaboratie met actoren buiten het reguliere kunstenveld. En dat is even maatschappelijk als artistiek relevant. Door participatie anno nu als deelname aan een collectieve artistieke praktijk te begrijpen, zien we andere mogelijke definitie van de relatie tussen maker en publiek.


Deze deelnemers, strikt genomen barbaren in de kunsten, ’zetten iets op het spel’ - hun vermogens, idealen en persoonlijke wereld liggen in de weegschaal der kunst. Een barbaarse daad, zeker bezien vanuit het risicovrije perspectief van het 'zittende publiek': de consument. Die barbaren midden in de kunstpraktijk, je zou ze netjes stakeholders kunnen noemen, in de fundamentele, affectieve zin des woords.


Referenties: Markus Miessen, The Nightmare of Participation (2014); Alessandro Baricco, de Barbaren (2006)


Lees op Kunst op Mars de andere recente publicaties