The business of business is ... responsible business

Corporate Social Responsibility gaat verder dan wereldverbetering vanuit het bedrijfsleven. In deze vijfdelige serie gaat Novel op zoek naar een rationele basis voor CSR. Hierbij gaan we de dilemma’s niet uit de weg: wat is de meerwaarde van CSR en wat levert het op? Wat zijn de knelpunten en reputatierisico’s? Wat betekent CSR nog in tijden van technologische disruptie en kantelende politieke verhoudingen? In dit eerste deel bespreken we de zogenaamde Friedmandoctrine en het vermeende verbod op CSR.


Door Collin Gorissen


Er is een formule die in het bedrijfsleven bekend staat als de business-variant op de eed van Hippocrates:


'There is one and only one social responsibility of business—to use its resources and engage in activities designed to increase its profit so long as it stays within the rule of the game, which is to say, engages in open and free competition, without deception or fraud.'


Dit prachtige dictum hangt ingelijst boven het bed van elke zichzelf serieus nemende MBA-titularis. De ‘Friedmandoctrine’, vernoemd naar de Nobelprijswinnaar, econoom en liberaal Milton Friedman, heeft in de afgelopen decennia de toon gezet in de managementpraktijk, en dan vooral in het Engelstalige deel van de wereld. De implicaties ervan zijn duidelijk: de sociale verantwoordelijkheid van de private sector beperkt zich tot het maken van winst. Het voorzien in ‘publieke’ CSR valt buiten de verantwoordelijkheid van de sector. Oftewel: the business of business is business.


De doctrine is gebaseerd op twee hoofdargumenten. Ten eerste stelt Friedman, in navolging van het aloude neoklassieke recept, dat een gezond bedrijfsleven gunstig is voor iedereen. Bedrijven produceren goederen en diensten, en door concurrentie komen vanzelf de bedrijven bovendrijven die producten leveren met de beste prijs-kwaliteitverhouding. Social responsibilities liggen bij de overheid of het individu, dat zijn geld spendeert naar eigen inzicht. Dit argument omvat grosso modo de basis van kapitalisme en laten we voor nu buiten beschouwing.


Ten tweede stelt Friedman dat het niet geoorloofd is om investeringsgelden van shareholders te besteden aan zaken die hen niet financieel ten goede komen. Zodra executives bepalen naar welk vermeend goede doel de bedrijfswinst gaat, worden in wezen de shareholders én werknemers ongevraagd belast, aldus Friedman. Indien er geen sprake is van een beursgenoteerd bedrijf of NV, dan is de eigenaar van het bedrijf ook de enige shareholder.


Zo bezien is het tweede hoofdargument gebaseerd op twee premissen: shareholders zijn de bezitters (principals) en executives de gelastigden (agents) van het bedrijf. De executives van een firma zijn dus de afgevaardigden die de firma naar hun beste kunnen winstgevend maken namens de shareholders—de formele eigenaars.



Who owns the firm?

Het is juist deze laatste aanname die tot problemen leidt, aldus rechtsgeleerde Lynn Stout:


'While many laypersons believe shareholders own corporations, this statement is incorrect as a matter of law. As legal persons, corporations, like natural persons, either own themselves or have no owners. Shareholders do not own corporations, they own shares of stock, a kind of contract between the shareholder and the corporate entity that gives the shareholder limited rights.'


Het idee dat shareholders de sole owners zijn van een bedrijf en executives hun afgevaardigden, is dus in juridisch opzicht een verdraaiing van de werkelijke contactuele eigendomsverhoudingen. Net zoals andere stakeholders zoals werknemers klanten en eventuele obligatiehouders zijn shareholders contractueel verbonden aan het bedrijf. En net zoals andere stakeholders hebben zij beperkte contractuele rechten, bijvoorbeeld stemrechten over het bestuur van de firma.


Natuurlijk wordt hier maar een klein deel van de discussie weergegeven tussen de voor- en tegenstanders van de Friedmandoctrine, oftewel voor- en tegenstanders van zogenaamde shareholder primacy. Denk bijvoorbeeld aan Michael Jensen en Naomi Klein, respectievelijk voor- en tegenstander van het principe. Wat deze discussie in ieder geval aantoont is dat de Friedmandoctrine niet de moraal is van de het bedrijfsleven. Het aanhalen van de doctrine of varianten daarvan is onvoldoende om de nauwe verantwoordelijkheden van een bedrijf met aandeelhouders te rechtvaardigen.


Daarmee is niet alles gezegd. Het aan de Friedmandoctrine gelieerde principe van shareholder value maximization heeft een tragische geschiedenis die niet onderbelicht mag blijven. Andere modellen, zoals stakeholder theory, benaderen met grotere precisie de eigendomsverhoudingen binnen een NV of beursgenoteerd bedrijf. Tegelijkertijd klampt dit model met zijn eigen problemen en is het makkelijk te misbruiken. De komende weken zullen we deze knelpunten en thema’s verder uitdiepen.


Novel schrijft doorlopend over het onderwerp CSR. Lees hier over wat volgens ons drie belangrijke factoren zijn bij het implementeren van CSR.


Literatuur

Friedman, M., (1962/2002). Capitalism and Freedom. 14th ed. Chicago and London: The University of Chicago Press.


Stout, L.A., (2016). Corporate Entities: Their Ownership, Control and Purpose. Cornell Legal Studies Research Paper No. 16-38.